RB Prinsjesdagspecial 2013
Prinsjesdag: fiscale maatregelen 2014 naar Tweede Kamer


Op Prinsjesdag, dinsdag 17 september 2013, werden de Miljoenennota, de Rijksbegroting en het pakket Belastingplan 2014 aangeboden aan de Tweede Kamer. Hoewel vele maatregelen voortijdig waren uitgelekt en het CPB om die reden de Macro Economische Verkenning 2014 al op zondag 15 september 2014 publiceerde, werd het geheel pas realiteit met het uitspreken van de (eerste) troonrede door Koning Willem-Alexander.

Het pakket Belastingplan 2014 bestaat uit de volgende vier wetsvoorstellen:

In dit artikel besteden wij aandacht aan de hoofdlijnen van deze wetsvoorstellen die (tenzij anders is aangegeven) per 1 januari 2014 in werking zullen treden.

Wij merken op dat uit de Prinsjesdagstukken wordt gerefereerd aan twee wetsvoorstellen die niet in het pakket Belastingplan 2014 zijn opgenomen. Het gaat om de wetsvoorstellen ‘Wet maatregelen woningmarkt 2014’ en ‘Wet afschaffing fiscale aftrek specifieke zorgkosten’. Deze wetsvoorstellen zijn nog niet gepubliceerd. Zodra deze voor publicatie beschikbaar zijn, zal deze prinsjesdagspecial worden aangevuld.

 

Het Belastingplan 2014 staat voor een groot deel in het teken van diverse fiscale maatregelen uit het Regeerakkoord, inclusief de maatregelen die voortvloeien uit de motie Zijlstra/Samsom. Daarnaast zijn fiscale maatregelen opgenomen uit het zogenoemde aanvullend pakket.

1. Tarief eerste schijf loon- en inkomstenbelasting

Het tarief in de eerste schijf in de loon- en de inkomstenbelasting wordt in een aantal stappen aangepast. Met ingang van 1 januari 2014 verandert het tarief van de eerste schijf per saldo niet. Met ingang van 1 januari 2015 wordt het tarief van de eerste schijf in de loon- en inkomstenbelasting verlaagd met 0,29%-punt, met ingang van 1 januari 2016 verhoogd met 0,06%-punt. In 2017 blijft het tarief gelijk aan dat van 2016.


2. Algemene heffingskorting


3. Arbeidskorting

Het maximum van de arbeidskorting wordt met ingang van 1 januari 2014 verhoogd met € 374 tot € 2.097. Met ingang van 1 januari 2015 wordt het maximum verder verhoogd met € 103, met ingang van 1 januari 2016 met € 229 en met ingang van 1 januari 2017 met € 130.
De arbeidskorting voor hogere inkomens wordt in drie stappen afgebouwd, uiteindelijk tot nihil. In 2017 bestaat vanaf een inkomen van circa € 110.000 geen recht meer op arbeidskorting.


4. Afschaffing afdrachtvermindering onderwijs

De afdrachtvermindering onderwijs wordt afgeschaft en met ingang van 1 januari 2014 vervangen door een subsidieregeling van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.


5. Verlaagd tarief energiebelasting voor lokaal duurzaam opgewekte energie

In de energiebelasting op elektriciteit wordt in de eerste schijf (elektriciteitsverbruik tot 10.000 kWh) een verlaagd tarief ingevoerd voor kleinschalige, duurzame opwekking van (zonne-)energie waarvoor geen rijkssubsidie wordt ontvangen. De belastingkorting bedraagt 7,5 cent/kWh (excl. BTW). Het verlaagde tarief is van toepassing op elektriciteit die afkomstig is van coöperaties of verenigingen van eigenaren van particuliere kleinverbruikers, aan deze verbruikers is geleverd en in hun nabijheid is opgewekt. Het verlaagde tarief is niet beperkt tot zonne-energie, maar bepaalde technieken kunnen wel van de regeling worden uitgesloten. De duurzaamheid en de plaats waar de elektriciteit is opgewekt, moeten worden aangetoond met garanties van oorsprong. Van in de nabijheid opgewekte energie is sprake als de aansluitingen van de leden van de coöperatie of VvE zich in hetzelfde postcodegebied met vier gelijke cijfers bevinden als de installatie waarmee de elektriciteit wordt opgewekt of in de direct daaraan grenzende postcodegebieden. Het reguliere tarief in de eerste schijf wordt in verband met deze faciliteit met ingang van 1 januari 2017 verhoogd.


6.
Accijnsverhogingen en verhoging verbruiksbelasting alcoholvrije dranken



7. Motorrijtuigenbelasting voor oldtimers


8. S&O-afdrachtvermindering en RDA


9. Afschaffing stamrechtvrijstelling


10. Geen inflatiecorrectie in loon- en inkomstenbelasting

De inflatiecorrectie in de loon- en inkomstenbelasting blijft achterwege.


11.
Verlengen looptijd pseudo-eindheffing hoog loon (crisisheffing)

De pseudo-eindheffing voor hoog loon, de heffing van 16% over het loon van een werknemer voor zover dat loon € 150.000 overstijgt, wordt met één jaar verlengd. De pseudo-eindheffing voor hoog loon voor het jaar 2014 wordt berekend over het loon waarover in het kalenderjaar 2013 loonbelasting is geheven.


12. Verruiming vrijstelling schenkbelasting

De eenmalig verhoogde vrijstelling in de schenkbelasting voor schenkingen van ouders aan kinderen tussen de 18 en 40 jaar voor schenkingen die verband houden met de eigen woning wordt tijdelijk verruimd. Zo vervalt tijdelijk de beperking dat de schenking moet zijn gedaan door een ouder aan een kind tussen 18 en 40 jaar. Vanaf 1 oktober 2013 tot 1 januari 2015 mag iedereen van een familielid of van een derde vrij van schenkbelasting een schenking ontvangen van maximaal € 100.000, mits deze wordt aangewend voor de eigen woning. Bij ministeriële regeling zullen voorwaarden worden gesteld om zeker te stellen dat het verkregen bedrag wordt aangewend voor de verwerving van een eigen woning of voor verbetering of onderhoud van die eigen woning. De huidige vrijstelling wordt met ingang van 1 oktober 2013 structureel zodanig uitgebreid dat ook een schenking die is bestemd voor de aflossing van een restschuld voor een eigen woning onder de faciliteit valt. Vooruitlopend op de wettelijke inwerkingtreding, treedt deze maatregel bij beleidsbesluit in werking.


13.
Aanpassingen EIA, MIA en Vamil


14. Herziening keuzeregeling buitenlandse belastingplichtigen

De keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen waardoor zij voor toepassing van de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 als binnenlandse belastingplichtigen worden aangemerkt, wordt met ingang van 1 januari 2015 vervangen door een nieuwe regeling voor buitenlandse belastingplichtigen die hun inkomen geheel of nagenoeg geheel (90% of meer) in Nederland verdienen en die een gelijke behandeling met binnenlandse belastingplichtigen behoren te krijgen. Een aantal aspecten van de huidige regeling is mogelijk niet in overeenstemming met het EU-recht. Deze aspecten zijn in de besluiten van 2 juni 2012 en 26 april 2013 al in overeenstemming gebracht met het EU-recht. Deze besluiten worden nu gecodificeerd. Verder worden nog enkele andere aanpassingen gedaan. De regeling zal met ingang van 1 januari 2015 in werking treden om de overgang van de keuzeregeling naar de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen in de praktijk zo geruisloos mogelijk te laten verlopen. Het streven is om in de loop van 2014 de algemene maatregel van bestuur met betrekking tot deze regeling in het Staatsblad te publiceren. De nieuwe regeling is als volgt:


15. Integratieheffing

De integratieheffing in de BTW wordt afgeschaft. Hiermee komt een eind aan de heffing van BTW over de waarde van zelf vervaardigde goederen als die goederen worden gebruikt voor prestaties waarvoor geheel of gedeeltelijk geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat.


16. BTW en overdrachtsbelasting


17. Heffing van MRB en BPM bij buitenlandse kentekens

Om toezicht en handhaving op het naleven van de verplichtingt tot betaling van het MRB te intensiveren, worden de volgende maatregelen getroffen:


18. Toetsingsinkomen toeslagen na overlijden

Wanneer een toeslaggerechtigde zonder partner is overleden, kan op verzoek het inkomen van de overledene van het berekeningsjaar vóór het overlijdensjaar als toetsingsinkomen worden gehanteerd. Deze optie vormt een aanvulling op de bestaande regeling waarin het inkomen in het overlijdensjaar tijdsevenredig wordt herleid.

 

1. Toestaan onderhandse akte bij periodieke giften
De onderhandse akte van schenking wordt toegestaan als alternatief voor de notariële akte voor de aftrek van periodieke giften in de inkomsten. De voorwaarden die daarbij gelden, worden opgenomen in de Uitvoeringsregeling IB 2001. Op de website van de Belastingdienst komt een schenkingsovereenkomst die is gebaseerd op deze voorwaarden en deze moet worden ingevuld en bewaard door de gever en de begiftigde instelling of vereniging.


2. Schulden uit wettelijke vergoedingsplicht partners geen eigenwoningschuld

Schulden die voortkomen uit de wettelijke vergoedingsplicht van artikel 1:87 van het Burgerlijk Wetboek tussen partners, worden uitgesloten als eigenwoningschuld.


3. Aanpak constructies met APV's in inkomsten- en vennootschapsbelasting


4. DGA in vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI)

Vanwege wijzigingen in de Wet op het financieel toezicht (Wft) met ingang van 22 juli 2013 zouden de mogelijkheden om gebruik te maken van het regime van de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) in de Vpb door directeur-grootaandeelhouders (DGA's) onbedoeld kunnen worden beperkt. Om mogelijke onduidelijkheid op dit punt te voorkomen, is een bepaling opgenomen waarmee de beoogde continuïteit wordt gewaarborgd en deze beperking wordt voorkomen.


5. Fiscale beleggingsinstelling (FBI)

Fiscale beleggingsinstellingen (FBI's) mogen bijkomstige werkzaamheden onderbrengen in een belaste dochtervennootschap, voor zover deze werkzaamheden rechtstreeks verband houden met het beleggen in vastgoed door de FBI. Daarbij kan worden gedacht aan bepaalde facilitaire diensten voor huurders, zoals schoonmaakdiensten, verzorgen van de catering, receptie of vergaderservice. Daarbij gelden twee kwantitatieve limieten: de fiscale waarde van de aandelen in de belaste dochter mag niet meer bedragen dan 15% van het (fiscale) eigen vermogen en de omzet uit de bijkomstige werkzaamheden mag niet meer dan 25% bedragen van de omzet, zoals de verhuuropbrengst, uit het beleggen in het beleggingsobject waarvoor de werkzaamheden worden verricht. De dochtervennootschap moet bovendien volledig met eigen vermogen zijn gefinancierd.


6. Waardering serviceflats op WEV voor erfbelasting

Om te voorkomen dat een erfgenaam voor een substantieel hoger bedrag wordt aangeslagen dan in werkelijkheid wordt geërfd, mag voor de waardering van serviceflats worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer (WEV) op het moment van overlijden in plaats van de WOZ-waarde, als de WEV in belangrijke mate daarvan afwijkt. Voor overlijdens in de jaren 2010 tot en met 2013 was dit al goedgekeurd via twee beleidsbesluiten.

7. Verkrijging participatie in beleggingsfonds zonder overdrachtsbelsating
Verkrijgingen van rechten van deelneming tot een belang van een derde gedeelte in beleggingsfondsen of fondsen voor collectieve belegging in effecten (als bedoeld in art. 1:1 Wft) die de economische eigendom van één of meer onroerende zaken bezitten, worden buiten het bereik van de overdrachtsbelasting gebracht. Dit om te voorkomen dat één enkele participatie mogelijk al leidt tot heffing van overdrachtsbelasting, aangezien artikel 4 (over onroerendezaaklichamen) van de Wet belastingen van rechtsverkeer (WBR) niet meer van toepassing zal zijn op deze fondsen. Dit artikel 4 van de WBR wordt beperkt tot rechtspersonen.


8.   
Inzagerecht in geregistreerde notariële akte
Vanaf eind oktober 2013 zal de papieren registratie van notariële akten door de Belastingdienst geleidelijk overgaan in een elektronische registratie door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. Partijen bij een notariële akte hebben recht op inzage in de gegevens die over hun akte zijn geregistreerd. Dit inzagerecht is bij de totstandkoming van de Wet elektronische registratie notariële akten abusievelijk niet aangepast aan de overgang van de papieren naar de elektronische registratie. Deze omissie in de Registratiewet wordt nu hersteld.


9.  Verruiming teruggaaf accijns minerale oliën voor opwekking elektriciteit

De mogelijkheid tot teruggaaf van accijns voor minerale oliën die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit wordt verruimd. Voortaan is het voldoende dat de desbetreffende installatie een elektrisch vermogen heeft van minimaal 60 kilowatt in plaats van de nu geldende eis van minimaal 1 megawatt. Met deze nieuwe ondergrens wordt aangesloten bij de ondergrens die geldt voor de vrijstelling in de energiebelasting.


10.  Vrijstelling frisdrankbelasting tot 12.000 liter vruchten- of groentesap

In de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken wordt een vrijstelling van verbruiksbelasting voorgesteld tot een hoeveelheid van 12.000 liter per kalenderjaar voor vruchten- of groentesap dat wordt vervaardigd buiten een zogenoemde inrichting ("zelfpersers"). Dergelijke instellingen hoeven dan ook geen vergunning meer te hebben.


11.  Belasting op leidingwater en energiebelasting


12.  Kennisgeving-vooraf en publicatie in Staatscourant in WIB afgeschaft


13.  Vergoedingsvorderingen huwelijksvermogensrecht in AWR


14.  Uitbreiding integriteitsbepaling ANBI's

Er komt een uitbreiding van de weigerings- of intrekkingsgronden van de status van algemeen nut beogende instelling (ANBI). Het gaat dan om een onherroepelijke veroordeling van de instelling of van een bestuurder, een feitelijk leidinggevende of een gezichtsbepalende persoon van die instelling voor het opzettelijk plegen van een misdrijf waardoor de veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht. Enkele voorbeelden zijn brandstichting, het teweegbrengen van ontploffingen, het veroorzaken van overstromingen en het versperren van openbare land- of waterwegen.


15.  Aanpassing partnerbegrip in IB en Awir

Het partnerbegrip in de inkomstenbelasting en de Awir wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2012 zodanig aangepast dat alleen meerderjarigen kunnen worden aangemerkt als partner. Deze wijziging heeft te maken met de per die datum gewijzigde regeling voor samengestelde gezinnen.


16.  Aanpassing aanvraagtermijn toeslagen

De verlenging van de termijn voor het aanvragen van een toeslag wegens een nog lopende aangiftetermijn van een medebewoner, wordt alleen gehanteerd wanneer de draagkracht van de medebewoner in aanmerking wordt genomen voor de hoogte van de toeslag van de aanvrager.


17.  Uitstel verplichte overgang naar werkkostenregeling

De verplichte overgang van het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen naar de werkkostenregeling wordt met één jaar uitgesteld. Dit was al op 7 maart 2013 bekendgemaakt.


18. Verlenging horizonbepaling multiplier voor giften aan culturele instellingen

De horizonbepaling op de multiplier voor giften aan culturele instellingen in de Wet IB 2001 en de Wet Vpb wordt met een jaar verlengd en geldt tot en met het jaar 2017.

 

Het wetsvoorstel wijziging van enkele wetten met het oog op de bestrijding van fraude in de toeslagen en de fiscaliteit (Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit) bevat maatregelen om fraude in de sfeer van de fiscaliteit en van de toeslagen te bestrijden. Deze maatregelen betreffen enerzijds een uitwerking van de maatregelen die waren aangekondigd in de brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 10 mei 2013. Daarnaast betreft het een aantal andere maatregelen op het gebied van handhaving en invordering. De hiervoor genoemde maatregelen kunnen worden ingedeeld in drie categorieën.

1. Versterking toezichtinstrumentarium toeslagen  

Om extra controle van toeslagaanvragen met een verhoogd frauderisico mogelijk te
maken voordat een voorschot wordt verleend, wordt de wettelijke beslistermijn verlengd van 8 tot 13 weken na indiening van de aanvraag en eventueel met maximaal nog eens 13 weken. Van deze verlenging van de beslistermijn wordt de aanvrager schriftelijk en gemotiveerd in kennis gesteld.

Een aanvraag die wordt ingediend door een persoon over wie onvoldoende informatie beschikbaar is bij de Belastingdienst/Toeslagen of bij de inspecteur van de Belastingdienst, leidt in beginsel niet meer tot de verlening van een voorschot op de toeslag. Pas na validatie van de aanvraag aan de hand van naderhand bekend geworden informatie kan na afloop van het toeslagjaar, bij de definitieve toekenning, uitbetaling van de toeslag volgen, mits wordt vastgesteld dat een recht op de toeslag bestaat.

De belastingplichtige krijgt de mogelijkheid om te verzoeken een voorlopige aanslag (VA) vast te stellen. De inspecteur mag afzien van het opleggen van een VA of deze opleggen tot een ander bedrag als er gerede twijfel bestaat over de juistheid van het adresgegeven van de belastingplichtige. Voor het begrip gerede twijfel is aangesloten bij het
begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet basisregistratie personen. Als er onduidelijkheid bestaat over het adresgegeven krijgt de Belastingdienst de bevoegdheid de aanvraag tot het opleggen van een VA niet in behandeling te nemen, lopende betalingen te stoppen, voorlopige teruggaven en voorschotten op toeslagen te verminderen en definitieve aanslagen die een teruggaaf inhouden en definitieve toekenningen niet uit te betalen.  

d. Voorschot
Een voorschot blijft voortaan achterwege als de aanvrager in kwestie in de afgelopen vijf jaar een bestuurlijke vergrijpboete op basis van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) of de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd heeft
gekregen die onherroepelijk is geworden, of voor een soortgelijk vergrijp strafrechtelijk veroordeeld is. Deze maatregel treedt pas na 1 januari 2014 in werking . Aanvragen die worden ingediend vanaf 1 april volgend op het berekeningsjaar leiden verder niet meer tot een voorschot. In die gevallen zal de toeslag alleen worden uitbetaald op basis van de definitieve toekenning. Voor de kinderopvangtoeslag gelden andere regels voor het aanvragen van het voorschot met terugwerkende kracht. Vanaf 1 januari 2014 wordt deze mogelijkheid beperkt tot de lopende maand en de drie voorafgaande maanden.



2. Versterking boete- en strafrechtinstrumentarium 

Het overtredersbegrip in de Awir wordt uitgebreid waardoor ook aan de ‘doen pleger’, de ‘uitlokker’ en de ‘medeplichtige’ een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd zoals dat nu ook mogelijk is ten aanzien van de pleger, de medepleger en de feitelijk leidinggever of opdrachtgever. Daarnaast zal de termijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete voortaan aanvangen bij het begaan van de overtreding. Het uitgebreide overtredersbegrip geldt voor het eerst voor verzuimen en vergrijpen die zijn begaan op of na 1 januari 2014.

Het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst breidt herziening uit naar definitieve aanslagen. Als dat voorstel tot wet wordt verheven, wordt ook op het opzettelijk onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens en inlichtingen in het kader van de voorlopige aanslagregeling en bij herziening een vergrijpboete gesteld. De vergrijpboete bedraagt maximaal 100% van het bedrag aan belasting dat door de onjuiste of onvolledige gegevens of inlichtingen ten onrechte is of zou zijn teruggegeven of ten onrechte niet is of zou zijn betaald. De vergrijpboete kan worden opgelegd als de Belastingdienst het verzoek om vaststellen van een VA of om herziening van een VA heeft afgewezen, omdat de Belastingdienst de onjuistheid van de gepresenteerde feiten tijdig ontdekt. De vergrijpboete kan ook worden opgelegd indien de Belastingdienst dit later ontdekt, maar uiterlijk 5 jaren na het onjuiste of onvolledige verzoek. De vergrijpboete wordt opgelegd bij voor bezwaar vatbare beschikking. De regeling geldt voor het eerst voor verzuimen en vergrijpen die zijn begaan op of na 1 januari 2014.

Belastingplichtigen die de aangiftebelasting wel juist aangeven, maar de betalingsverplichting opzettelijk niet nakomen (denk bijvoorbeeld aan btw carousselfraude) kunnen voortaan strafrechtelijk worden vervolgd voor belastingfraude. Als de schuldige in zijn beroep (bestuurder, directeur, commissaris van de onderneming of belastingadviseur) opzettelijk de betalingsverplichting niet nakomt, kan hij als bijkomende straf van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.


3.
Versterking invorderingsinstrumentarium

Vanaf 1 december 2013 kunnen teruggaven van inkomstenbelasting, BTW en toeslagen alleen nog worden uitbetaald op een bankrekening die op naam staat van de belastingschuldige zelf. In aanvulling op deze "eenbankrekeningmaatregel" wordt de aansprakelijkheidsbepaling in de Awir uitgebreid naar iedere derde die kan beschikken over een bankrekening waarop een te hoog bedrag of een zelfs voor het gehele bedrag onterecht toegekende toeslag is uitbetaald. Voor de huurtoeslag zal voortaan ook de medebewoner aansprakelijk zijn voor een terug te vorderen toeslag. Daarnaast wordt in de Invorderingswet een aansprakelijkheidsbepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst iedere derde aansprakelijk kan stellen die kan beschikken over een bankrekening waarop een te hoog of voor het gehele bedrag onterecht ontvangen teruggaaf inkomstenbelasting of BTW is uitbetaald voor zover deze bedragen zijn toe te rekenen aan onbetaald gebleven belastingaanslagen inkomstenbelasting of BTW van de belastingschuldige. Het bedrag aan te veel of voor het gehele bedrag onterecht ontvangen toeslagen, teruggaaf inkomstenbelasting of BTW waarvoor een derde aansprakelijk kan worden gesteld, kan niet meer bedragen dan het bedrag dat is uitbetaald op de bankrekening waarover deze derde kan of heeft kunnen beschikken.

Er wordt een cessie- en verpandingsverbod ingevoerd voor belastingteruggaven. Het verbod blijft beperkt tot de inkomstenbelasting. Cessie en verpanding aan en financiële instellingen die deze gebruiken voor zekerheidstelling worden uitgezonderd van het verbod. Daarnaast is met betrekking tot de eenbankrekeningmaatregel voorzien in een uitzondering voor de situatie dat sprake is van schuldhulpverlening. Deze uitzondering geldt met terugwerkende kracht tot en met 1 december 2013.

Het toepassingsbereik van de automatische nummerplaatherkenning (ANPR) wordt uitgebreid voor de invordering van een toeslagschuld. Dit invorderingsmiddel kan alleen worden ingezet bij onbetaald gebleven terugvorderingen waarvoor inmiddels een dwangbevel is betekend.

d. Aanpak malafide uitzendondernemingen
In de strijd tegen malafide uitzendondernemingen moeten niet-gecertificeerde uitzendondernemingen (uitleners), nadat het depotstelsel in werking is getreden, een depot aanhouden bij de Ontvanger. In combinatie hiermee moet de inlener van arbeidskrachten van een niet-gecertificeerde uitzendonderneming 35% van de factuursom (incl. BTW) die in rekening is gebracht in verband met de terbeschikkingstelling van die arbeidskrachten storten op de vrijwaringsrekening van de ontvanger ten behoeve van het depot van de betreffende uitzendonderneming. De betreffende uitzendondernemingen en hun inleners kunnen worden beboet met een verzuimboete van ten hoogste € 4.920 als zij hun verplichtingen niet nakomen. Daarnaast kan de inlener die niet aan zijn stortingsplicht voldoet aansprakelijk worden gesteld door de ontvanger voor onbetaald gebleven loonbelasting, socialeverzekeringspremies en BTW van de uitlener. De aansprakelijkheid geldt tot het bedrag dat hij had moeten storten op de vrijwaringsrekening van de ontvanger. De ontvanger kan beide maatregelen (het opleggen van een boete en het aansprakelijk stellen) naast elkaar toepassen. De maatregelen treden - net als het nieuwe depotstelsel – in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

 

Per 1 januari 2013 is de regeling van de belastingrente in werking getreden en de regeling van de invorderingsrente gewijzigd. Daarbij is voor het rentepercentage voor beide maatregelen aangesloten bij de wettelijke rente voor niet-handelstransacties. In het regeerakkoord is afgesproken om voor de belastingrente voor alle belastingmiddelen behalve de vennootschapsbelasting (Vpb) en voor de invorderingsrente de wettelijke rente voor niet-handelstransacties te blijven hanteren, maar met een ondergrens van 4%. Ook is afgesproken het belastingrentepercentage voor de Vpb te koppelen aan de wettelijke rente voor handelstransacties, en daarbij een ondergrens van 8% in te voeren. In het wetsvoorstel Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente wordt uitvoering gegeven aan deze maatregelen. Zowel voor te vergoeden als voor in rekening te brengen belasting- en invorderingsrente worden deze gewijzigde rentepercentages geïntroduceerd. Het is de bedoeling dat de wet per 1 januari 2014 in werking treedt, maar er komt wel overgangsrecht. Hierdoor worden de gewijzigde rentepercentages effectief pas vanaf 1 april 2014 gehanteerd.

(Bron: Register Belastingadviseurs).

 

Home